Ik heb een hopelijk simpele verkeersvraag, waar ik het antwoord niet op kon vinden.
Welke auto mag hier als eerste afslaan? Voor mij is het niet duidelijk of de lichtblauwe auto als voorrangsweggebruiker telt, omdat deze in het tussenvak staat.

Moderator: Moderatorteam

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2022
Datum publicatie
10-10-2022
Zaaknummer
Wahv 200.305.091/01
10. Wie voorrang heeft, volgt ook niet uit een verkeersteken. Voor zowel de betrokkene als de ambtenaar golden haaientanden, maar die bepalen slechts dat voorrang moet worden verleend aan verkeer op de kruisende weg (zie daarvoor artikel 80 van het RVV 1990). In het onderhavige geval was echter sprake van tegemoetkomend verkeer. Dat de betrokkene de haaientanden al voorbij was op het moment waarop het voertuig van de ambtenaar nog stilstond voor de haaientanden, doet daar niet aan af.
11. Nu de verkeerslichten en verkeerstekens in dit geval niet aangeven wie voorrang heeft, geldt de verkeersregel van artikel 18, tweede lid, van het RVV 1990. Deze regel is niet onverenigbaar met het groen uitstralende verkeerslicht in dit geval. De betrokkene sloeg af naar links (lange bocht) en de ambtenaar rechtsaf (korte bocht). De betrokkene moest het voertuig van de ambtenaar daarom voor laten gaan.

Swat probeert van alles begrijp ik, maar dat maakt 't voor mij alleen maar interessanter..Het is dus ook mogelijk dat de blauwe auto reeds op de kruisende weg reed en een U turn aan het maken is.
ECLI:NL:PHRAE4201
Het hof verwerpt dit verweer op grond van het navolgende. Door een bijzondere, van een normaal verkeersbeeld afwijkende manoeuvre als achteruitrijden, in dit geval: in de richting van en op een kruising, te verrichten en daarbij een zich op die kruising bevindende fietser aan te rijden, heeft verdachte de door artikel 54 RVV 1990 op hem gelegde absolute verplichting geschonden om al het overige verkeer – ook op een kruising als de onderhavige – voor te laten gaan.
Buiten de verdachte gelegen omstandigheden die hem verhinderden om aan die verplichting te voldoen zijn niet aannemelijk geworden.”
3.3. De middelen komen niet op tegen het juiste oordeel van het Hof dat art. 54 RVV 1990, inhoudende dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren –– waaronder achteruitrijden het overige verkeer voor moeten laten gaan, prevaleert boven de voor dat overige verkeer geldende voorrangsregels.
SWAT schreef: 28 jul 2025, 13:02 Mooie uitspraak echter niet zonder meer van toepassing op deze situatie. De rechter heeft in deze uitspraak geoordeeld welke verkeersREGEL in de specifieke casus "voorrang" had. Ik vermoed dat de auto in deze zaak achteruit rijdend van rechts de kruising op reed. De rechter zegt nu verkeer van rechts heeft voorrang tenzij dit verkeer een bijzondere manoevre uitvoert want dan heeft overige verkeer voorrang.
De uitspraak zegt echter niets over wanneer het over het niet opvolgen van een verkeerstekens gaat.
"dat hij op 3 juli 1999 bij Steggerda, in de gemeente Weststellingwerf, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig te weten een personenauto van het type Mazda 626, kenteken [AA-AA-00], daarmede (aanvankelijk) rijdende in (ongeveer) oostelijke richting over de weg, de Steggerdaweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - nadat verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig juist voorbij de kruising gevormd door voornoemde weg, de Hoeveweg en de Turfhoekweg tot stilstand had gebracht - met dat motorrijtuig een bijzondere manoeuvre uitgevoerd door in (ongeveer) westelijke richting achteruit te rijden en daarbij niet overig verkeer, te weten een zich op die kruising bevindende fietser (genaamd [het slachtoffer]) laten voorgaan en daarmee bij en op die kruising achteruit gereden met een snelheid van ongeveer 20,6 kilometer per uur en is verdachte niet in staat geweest dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover verdachte die Steggerdaweg en die kruising kon overzien en waarover deze vrij waren, door welk een en ander verdachte met (de achterzijde van) dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde fietser ([het slachtoffer]) - die die Steggerdaweg ter hoogte van voornoemde kruising overstak - is gereden waardoor voornoemde [het slachtoffer] werd gedood."
"Door de raadsman is ter 's hofs terechtzitting betoogd dat het eerste in de telastelegging opgenomen verwijt geen verwijt aan verdachte is en derhalve geen rol kan spelen bij het bepalen van de aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, omdat het heel goed zou kunnen zijn dat verdachte voorrang had boven de fietser, die een met borden en haaientanden duidelijk aangegeven voorrangskruising is opgereden en zich daarbij moet vergewissen of de weg links en rechts vrij is om over te steken.
Het hof verwerpt dit verweer op grond van het navolgende. Door een bijzondere, van een normaal verkeersbeeld afwijkende manoeuvre als achteruitrijden, in dit geval: in de richting van en op een kruising, te verrichten en daarbij een zich op die kruising bevindende fietser aan te rijden, heeft verdachte de door artikel 54 RVV 1990 op hem gelegde absolute verplichting geschonden om al het overige verkeer - ook op een kruising als de onderhavige - voor te laten gaan.
Overwegingen van de PG:
4.1. Het tweede middel stelt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof niet heeft geantwoord op het bewijsverweer dat niet is uit te sluiten dat de fietser plotsklaps met hoge snelheid de weg is opgereden waardoor het voor verdachte onmogelijk was het ongeval te voorkomen.
4.2. Uit het voor aangehaalde gedeelte van de overwegingen van het hof blijkt evenwel dat het hof wel degelijk heeft geantwoord op het aangevoerde verweer. Het hof heeft immers niet aannemelijk geacht dat er buiten de verdachte gelegen omstandigheden waren, waaronder ook is te verstaan de mogelijkheid waarop het tweede middel doelt, die verdachte hebben verhinderd om aan zijn verplichting om aan de fietser voorrang te verlenen te voldoen.
Het tweede middel mist dus feitelijke grondslag en faalt deswege.
5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel op de voet van art.81 RO worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Het hof weet zich in deze opvatting gesteund door Otte in J. Remmelink, Hoofdwegen door het verkeersrecht, 5e druk, voortgezet door M. Otte, p.29. Zie voorts M. Otte, Het stelsel van gedragsregels in het wegverkeer, 1993, p.203. Otte stelt daar dat bijvoorbeeld achteruitrijden een ongewone gevaarvolle verkeersgedraging is en daarom een voorrangsverplichting in het leven roept voor andere weggebruikers die wel op normale wijze van de weg gebruikmaken. Een normaal weggebruik is het oprijden van een voorrangsweg. Dat is geen bijzondere manoeuvre. Vandaar dat die gewone verkeersgedraging wél door de verkeerswetgever uitdrukkelijk en gedetailleerd is geregeld.
In de oorspronkelijke tekening was mijn bedoeling ook dat de blauwe auto gewoon naar links aan het afslaan is, vanuit dezelfde weg als de witte auto. Geen keeractie of zoiets dergelijks.SWAT schreef: 28 jul 2025, 13:05 Bij de tweede tekening die TS heeft geplaatst is het allemaal duidelijk. De blauwe auto is geen kruisend verkeer, de haaientanden en de het bord zijn voor beide voertuigen niet van toepassing en dan gelden de gewone voorrangsregels tegenover elkaar.